Keiharde dromen
Kd·3 Kluisjes
Door:
Drama / Roman
* 8 december 2007 | => 5 februari 2019, 14:42u.
538 w. ± 3 min.

Haar hart bonkte.
De stem van haar leraar klonk in de achtergrond terwijl allerlei beelden voor haar geestesoog dreven.
Het lokaal.
De leraar.
De hand.
De ogen van het meisje op de gang…!
Hun blikken hadden elkaar gekruist; ze voelde het bloed nog in haar wangen gloeien.
Wacht…
De leraar probeerde haar aandacht te trekken (dit had ze al eens eerder beleefd, toch?) en boog voorover. Zijn hand ging langzaam, voorzichtig omhoog — maar ze had niet de tegenwoordigheid van geest om zich terug te trekken…
Ze leek wel verlamd…

„…niet leuk?”
Ze schudde haar hoofd, zoals ze eerder ook gedaan had. Met opgetrokken wenkbrauwen en knipperende ogen.
De gerimpelde hand zwaaide voor haar gezicht. Magister Toenak, de vriendelijke geleerde, die ondanks zijn leeftijd nog altijd een imposant man was en bekend stond om zijn vurige debatten aan het hof, zuchtte eens diep en zei, terwijl Lidhia zichzelf hervond: „Het is ook wel genoeg geweest voor vandaag. Als u zich niet wèl voelt, Hoogheid, kunnen wij de sessie morgen wel hervatten. Ik vrees, dat u vandaag nog niets hebt opgestoken van de geschiedenis van uw vaderland.”
„Het spijt me, magister,” bood Lidhia schuldbewust aan.
„Prinses Lidhia, u bent overduidelijk niet geheel uw leergierige zelf vandaag. Ik ben mij er ten zeerste van bewust dat dit aanbod van een gekromd geleerde in uw oren wellicht weinig soelaas biedt, maar toch zou het mij deugd doen uw vertrouwen te ontvangen in de zaak, die u terneer drukt — zoals u in het verleden reeds vele van uw problemen met mij hebt gedeeld.”
„Dank u, magister,” glimlachte de prinses bij de vele goede herinneringen die de warme uitnodiging even in haar hart naar boven bracht. „Voelt u zich niet beledigd als ik het nog niet met u kàn delen? Nu nog niet… Ik weet het nog niet goed…”
De bejaarde hofmagister keek zijn pupil na terwijl ze dankbaar, maar duidelijk verward, naar buiten zwom.

„Zo helder… Zo ontzettend — beangstigend — ècht…,” mompelde Lidhia, die zich direct in haar favoriete plekje in de koraaltuin teruggetrokken had. „Waarom kéék ze zo? Wat wil ze van me?”
Ze herinnerde zich levendig de opluchting die ze gevoeld had toen Gabriëlle door haar leraar wiskunde naar huis gestuurd was om uit te zieken, het lesuur vóór de grote pauze. Ze had zich overduidelijk niet goed gevoeld.
„Mooi toneelspel,” hadden een paar jongens uit de klas schamper gefluisterd. „Zo kom je makkelijk onder de donderpreek van Ter Heerdt uit!”
Maar de leraar had het niet gehoord — of er gewoon geen aandacht aan geschonken.
Gabriëlle was zo gauw ze kon in de richting van de fietsenstalling gelopen: twee trappen af, rechtdoor naar de garderobe, naar haar kluisje in de gang.
Even haar jas eruit, haar spulletjes erin…
Als aan de grond genageld stond ze, toen ze het deurtje dichtklapte. Aan het eind van die rij kluisjes stond zij haar aan te staren, in dezelfde vrolijk gekleurde regenboogtrui; met dezelfde rode haarband in het lange, blonde haar.
Grote, blauwgrijze ogen.
Zij weet het.
Tranen welden op in Gabriëlles ogen, terwijl ze ze neersloeg en zich haastig afwendde om in de richting van de buitendeur te wankelen.
Nog even keek ze om, schichtig.
Ze was weg.