Keiharde dromen
Kd·6 Kracht
Door:
Drama / Roman
* 12 december 2007 | => 5 februari 2019, 14:43u.
732 w. ± 4 min.

Met haar handen diep in haar jaszakken gestoken stapte Gabriëlle ingetogen verder, net begonnen aan het tweede rondje om het enorme schoolcomplex met de uitgestrekte gravelvelden, waar ’s zomers uitbundig gesport werd. De heerlijk koude karnemelk had ertoe bijgedragen dat ze zich verre van warm voelde, maar de stevige lichaamsbeweging die ze van zichzelf eiste, compenseerde dat enigszins.
Met haar gedachten was ze weer terug bij het diner dat prinses Lidhia met haar gezin genoten had, die avond in Liliaño. Magister Toenak had, zoals iedere avond, een gedeelte uit de Gewijde Geschriften gelezen. Met zijn expressieve stem wist hij jong en oud steeds opnieuw te boeien. Het ging over een waterman, die het koninkrijk eens gered had nadat hij enkele schildwachten had betrapt op het beramen van een complot om de toenmalige koning te vermoorden. Gabriëlle betrapte zichzelf nu op een glimlachje. Wat leek dat verhaal op het beroemde Bijbelverhaal van Esther en Mordechai! Koning Silvaeo, Lidhia’s vader, had zijn gezin ernstig toegesproken over het belang van openheid en eerlijkheid.
„Wanneer één van jullie door de voorzienigheid van de Almachtige over informatie zou komen te beschikken die voor het koninkrijk, of zelfs maar voor de geringste stalknecht, van belang kan zijn in een rechtvaardige zaak, dan is het een afschuwelijk onrecht om die kennis vóór je te houden,” had hij naar aanleiding van de voorgelezen geschiedenis gezegd.
Die woorden klonken in Gabriëlles hart door, maar sterker nog herinnerde ze zich de pleitende blik van de magister, schuin achter de koning. Ze voelde opnieuw hoe hij Lidhia’s blik had vastgehouden, niet verwijtend of boos, maar vriendelijk. Bezorgdheid had uit die blik gesproken.
Hij vraagt zich natuurlijk af of ik… of Lidhia iets belangrijks weet, dacht ze. Nu, dàt was zeer zéker het geval, ook al was het anders dan wat de magister misschien verwachtte!
Ze vroeg zich af… zou zij de enige zijn, of zouden er méér meisjes…
Plotseling stond ze stil; met hernieuwde kracht stootte ze wolkjes condens uit.
„Dat ís het!” hijgde ze. „Meneer Den Engel!”
Ze draaide op haar hakken om en beende terug, terug naar school.
De zware buitendeur kraakte in de scharnieren toen ze erdoor naar binnen kwam stuiven, regelrecht op haar kluisje af.
„Whoa! Hé, zeg! Móét dat zo!?” schrok een conciërge, die dankzij een wonderlijk staaltje acrobatiek nog juist een dienblad met serviesgoed wist te redden.
„Sorry!” riep ze over haar schouder zonder de pas zelfs maar in te houden.
„Jaja,” mopperde de man, die hoofdschuddend verder liep en nog iets lelijks mompelde dat klonk als „Het zal juffrouw LaCroix weer eens niet zijn,” — maar Gabriëlle schonk er dit keer geen aandacht aan. De klok wees tien minuten voor het volgende lesuur aan.
Even mijn tas opbergen, liep ze haar korte, mentale takenlijstje af, en dan linea recta naar boven.
Ze hing haar jas op.
Ik hoop maar, dat hij er is!
Even boog ze achterover. Hiervandaan kon ze precies het zwarte bord zien, waarop in witte letters twee kolommen de namen van alle af- en aanwezige medewerkers weergaven.
„Yessss!” fluisterde ze opgetogen. Den Engels naam prijkte bovenaan, direct onder de kop „Aanwezig”.
Terwijl ze met haar ijskoude handen aan het slot van haar kluisje morrelde om het sleuteltje erin te krijgen, bedacht ze hoe goed het ondanks haar angst voelde om het juiste te doen — hoe moeilijk het misschien ook zou worden.
Maar als ik het nú niet doe, als ik het nú niet open gooi, durf ik het misschien wel nóóit weer!
„Squiiie!” piepte het kluisdeurtje gewoontegetrouw, terwijl het opendraaide.
De tas verdween in de opening.
„Squèrrrr!” kraakte het deurtje dicht.
Gabriëlle stond stil, fronsend, met het sleuteltje tussen haar koude vingers.
Maar ze draaide het niet om.
Het deurtje draaide weer open — langzaam en krakend, dit keer.
Ze tilde haar tas van de bodem.
Daar lag iets wits.
Een enveloppe die ze niet herkende.
Langzaam pakte ze de onbekende indringer op.
Wat zou erin zitten?
Ze hield hem tegen het licht, terwijl ze haar tas tussen haar voeten op de grond liet zakken.
Niets te zien.
Met enige moeite wist ze de lichtelijk gekreukte enveloppe open te krijgen.
Er zat niets anders in dan een niet al te netjes opgevouwen vel wit papier.
De enveloppe dwarrelde op de grond, terwijl ze het blad openvouwde.
Haar adem stokte.